Welkom  

   

Mijn Menu  

   

What's Up  

za feb 15 @12:00AM
Wintermeet 2020
   

Wedstrijd  

Geen evenementen
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   
   

Golven, golflengte en frequentie

Bij marifonie wordt het (stem)geluid omgezet in een elektrisch signaal dat door een draaggolf door de ruimte wordt getransporteerd. Die draaggolf wordt door een geleider de ruimte ingestuurd. De afmeting en vorm van die geleider bepaalt hoe gemakkelijk en hoeveel van de energie van de draaggolf de ruimte wordt ingestuurd. Vroeger toen men nog niet precies wist hoe dit werkte sprak men over die ruimte als 'de ether'.
'Raakt' die draaggolf een geleider, dan kan onder de juiste voorwaarden een klein beetje van de energie van de draaggolf in een elektrisch signaal worden omgezet en kan er weer (stem)geluid van worden gemaakt.
De draaggolf is een elektromagnetisch golfverschijnsel en volgt een aantal natuurkundige wetmatigheden. Aan de hand van die wetmatigheden kan worden bepaald hoe de geleider voor het zenden en ontvangen van de draaggolf er fysiek uit moet zien. Die geleider noemen we een antenne.
De draaggolf is een golf van een elektromagnetische grootheid, het kan gaan om spanning, stroom, magnetisme of een combinatie van deze grootheden.
Een golf wordt voorgesteld als een waarde V die verandert in de tijd. De waarde van V kan positief en negatief zijn. De verandering is cyclisch, de golf herhaalt zich. In een grafiek ziet dat er zo uit:


 

In de grafiek zijn in de tijd as 5 kenmerkende punten opgenomen te weten 0, ¼, ½, ¾ en 1. Zij geven in de golfvorm de delen van de lengte van de golf aan.
De voortplanting van een golf in de ruimte gaat met de lichtsnelheid, deze bedraagt ca. 300.000.000 m/s (dit is de lichtsnelheid in vacuüm). Het aantal cycli dat de golf per seconde doorloopt noemt men de frequentie. Nu we een snelheid hebben van de golf en een frequentie van de golf hebben, kan de golflengte worden berekend, deze is: golflengte = snelheid / frequentie (of lambda = v / f), (f is frequentie in Hz, v is snelheid in meter per seconde, lambda is golflengte in meter).
De kenmerkende punten in de grafiek worden dan ¼ lambda (kwart-lambda), ½ lambda (half-lambda), ¾ lambda (driekwart-lambda) en 1 lambda genoemd.
De marifoon frequenties liggen tussen de 156MHz en de 162MHz. Deze frequenties zijn hoger dan de frequentie van de FM radio (88 – 107Mhz), maar lager dan de UHF frequenties van de televisie (kanaal 21 tot kanaal 99).

Bandbreedte en kanalen

De totale bandbreedte voor marifonie is 8Mhz. Voor elk kanaal is een bandbreedte van 0,025MHz of 25kHz gereserveerd en zo komen we dan aan 8/0,025 is 320 kanalen. Niet al deze kanalen worden gebruikt voor telefonie, er zijn er ook bij voor radiobakens om met een speciale peilontvanger de positie van het schip ten opzichte van dat baken te bepalen. Het is niet zo dat de frequentie voor zenden en ontvangen bij elk kanaal hetzelfde is. Een kanaal kan een verschillende zend en ontvang frequentie hebben en gebruikt dan eigenlijk twee kanalen. Kijk voor een overzicht op: http://www.frequentieland.nl/maritiem/marifoonkanalen.htm.
De frequenties van de marifonie liggen in het VHF gebied en worden ook zo aangeduid. De aanduiding 'VHF 20' (op de waterkaart bij een brug of sluis) betekent “marifonie kanaal nr. 20 in het VHF gebied”. Indien u met de brug/sluiswachter wilt communiceren, dan stemt u de marifoon af op kanaal 20 en krijgt u contact. Heeft u een marifoon-ontvanger, dan kunt u deze afstemmen op kanaal 20 en luisteren. U kunt met een mobiele telefoon contact maken om de brug/sluiswachter te informeren dat hij u wel aanwijzingen kan geven via de marifoon.
De kanalen 00 tot en met 31 zijn de meest gebruikte kanalen in de marifonie, waarbij kanaal 00 het internationale reddingsdienst kanaal is. Ik hoop dat u nooit het onderwerp van gesprek wordt op dit kanaal! Het frequentiegebied voor deze kanalen loopt van 156MHz tot 157,550MHz.
Belangrijke kanalen zijn:
Kanaal 10: telefonie aanroepkanaal
Kanaal 16: Nood, spoed en veiligheid aanroepkanaal
Kanalen 18, 20, 22: Bruggen, sluizen en verkeersleiding
De antenne die u nodig heeft, zal het grootste effect moeten hebben op kanaal 16. Zit u of iemand anders in de penarie, dan is dat kanaal het belangrijkst.
De frequentie van kanaal 16 is: 156.800.000Hz. De golflengte is: 300.000.000/156.800.000=1,913m.

De antenne

De antenne moet een elektromagnetisch fenomeen door de ruimte overdragen aan een andere antenne. Er bestaat geen zogenaamd 'Ohms' contact (een elektrisch geleidende verbinding) tussen de antennes. De antennes gedragen zich als de helft van een condensator.


Condensator.

 

 

 

En wat is een condensator? Een condensator wordt gevormd door 2 geleidende vlakken die elektrisch van elkaar zijn gescheiden door een isolator, ook wel een diëlektricum genoemd. Een condensator kan worden opgeladen door op de ene 'plaat' positieve lading aan te brengen en op de andere kant een negatieve lading aan te brengen. Omdat de ladingen elkaar aantrekken, maar niet de isolerende tussenlaag van het diëlektricum kunnen oversteken, blijft de lading aanwezig tot de platen met een geleider contact met elkaar maken en de lading zich vereffend.
Als op een condensator een spanning wordt aangelegd, gaat er eerst een stroom lopen om de lading op de platen te brengen en als deze op de platen 'zit', dan zal er pas een spanning meetbaar zijn op de aansluiting van de condensator. Er loopt dus eerst een flinke stroom voordat de condensator is opgeladen en er een spanning te meten is. We zeggen dat de spanning 'na ijlt' op de stroom. Het lijkt erop dat de condensator aan het begin van het opladen een kortsluiting vormt; veel stroom bij weinig spanning. Er is op dat moment dus sprake van een lage weerstand (bijna geen).
Als er een wisselspanning (met een frequentie en een golfvorm) wordt aangesloten op een stuk draad, Dan zal dit stuk draad zich in eerste instantie gaan gedragen als een condensator, het neemt lading op. De lading zal in de draad met de snelheid van het licht worden opgenomen totdat de draad is opgeladen. Is de draad lang, dan duurt dat langer dan bij een korte draad. Komt de lading bij het einde van de draad, dan botst deze op dat einde en kaatst weer terug naar de ingang. De terug kaatsende golf gaat nu met de snelheid van het licht naar de ingang en bij aankomst is er bij die ingang ineens spanning te meten. Als we de frequentie van de wisselspanning weten, kunnen we berekenen hoelang de draad moet zijn om precies een flinke stroom in de draad te sturen, deze op het uiteinde van de draad te laten reflecteren en weer terug te laten komen op de ingang en op dat moment de spanning op de ingang weer 0 te laten zijn.
Wanneer gebeurt dit... als de draad precies een ¼ van de golflengte lang is. Ofwel een kwart-lambda.
Bij een kwart-lambda antennelengte is er op de aansluiting van de antenne wel stroom, maar nauwelijks spanning te meten, op voorwaarde dat de aangesloten wisselspanning de juiste frequentie heeft. Aan het einde van de antenne meet je geen stroom (want waar zou die dan naartoe moeten stromen), maar wel spanning.
Bij een driekwart-lambda antennelengte gebeurt precies hetzelfde, ook nu meet je aan het eind van de antenne geen stroom en wel spanning.


Aan de antenne ingang meet je geen spanning, maar wel stroom, de weerstand is laag en de antenne gedraagt zich als een condensator; de spanning ijlt een ¼ golflengte na.
Voor kanaal 16 is de kwart-lambda antennelengte:
¼ golflengte antenne lengte = 1,9132653061224489795918367346939 * 0,25 = 0,47831632653061224489795918367325m ofwel 478mm.
Voor kanaal 16 is de driekwart-lambda antennelengte:
¾ golflengte antenne lengte = 1,9132653061224489795918367346939 * 0,75 = 1,4349489795918367346938775510204m ofwel 1434mm.
Hoe nauwkeurig moet je dan zijn met het bepalen van de antennelengte?
Voor kanaal 0 (156Mhz) is de golflengte: 300.000.000 / 156.000.000 = 1,9230769230769230769230769230769m
1/4 golflengte als antenne lengte = 1,9230769230769230769230769230769 * 0,25 = 0,480769230769230769230769230769m ofwel 480mm, dat scheelt 2mm ten opzichte van kanaal 16,
3/4 golflengte als antenne lengte = 1,9230769230769230769230769230769 * 0,75 = 1,442307692307692307692307692307m ofwel 1442mm, dat scheelt 8mm ten opzichte van kanaal 16.
Dezelfde berekening is te maken voor kanaal 31, maar voegt niet veel inzicht toe, behalve dat de antenne dan iets korter is dan voor kanaal 16.
Uit de berekeningen blijkt dat een ¼ lambda antenne minder nauwkeurig hoeft te worden gemaakt dan een ¾ lambda antenne. “Nou, da's mooi dan..., kies je toch voor een ¼ lambda antenne!“ Inderdaad heeft een ¼ lambda antenne een voordeel, het is maar een klein sprietje (48cm) en zou mooi boven in de mast kunnen zonder direct de mast veel langer te maken. Bovendien is een antenne van 48cm lekker stevig. 'Elluk foordeel hep se nadeel' want een ¼ lambda antenne heeft minder lengte om bij zenden de energie van de draaggolf aan de ruimte (en de andere ontvang-antennes) over te dragen. Wordt er een sterke zender gebruikt, dan wordt de antenne zelfs warm en de energie die in warmte wordt omgezet is verloren gegaan en bereikt de ontvang-antennes zeker niet.
Een ¾ lambda antenne straalt als zend-antenne meer energie af (en neemt ook meer energie op als ontvang-antenne) en is beter, ondanks dat de antenne nauwkeuriger moet worden gemaakt. Als nadeel is de lengte van 144cm, de mast wordt meteen anderhalve meter langer. 'Kan dat nou niet anders?'

 

Half-lambda CLC antenne

Een ¼ lambda antenne is kort en kan weinig energie uitstralen of ontvangen. Een ¾ lambda antenne is lang en heeft betere zend en ontvang kwaliteiten. Een half-lambda antenne zit daar tussenin, maar heeft aan het uiteinde niet de goede aansluiting, dat wil zeggen geen lage impedantie zodat er geen grote antenne stroom bij een lage spanning is. Dat laatste is wel nodig voor een antenne, tenzij er met impedantietransformatoren gewerkt gaat worden en dat maakt het geheel veel storingsgevoeliger. Op een boot is dat niet fijn, zeker niet in een corrosieve omgeving zoals op het (zee)water.
Het deel na de eerste ¼ tot een ½ zou gecomprimeerd moeten worden tot een paar centimeter om dan het deel van een ½ tot ¾ weer in de volle lengte als uitstralende (en ontvangende) antennedeel erbij te tellen. Dat kan indien er gebruik wordt gemaakt van een spoel.


spoel.

 

Een spoel wordt gevormd door een geleider. Door de geleider op te rollen tot een spoel ontstaat een zelfinductie. Een zelfinductie is fenomeen dat bijna het omgekeerde is van een condensator. Als op een spoel spanning wordt gezet, gaat er een stroom lopen. Deze stroom wekt een magnetisch veld op rond de draad waarvan de spoel is gemaakt. Dit magnetisch veld wekt in de spoel weer een spanning op die tegengesteld is aan de spanning die de stroom door de spoel veroorzaakt. Het duurt dus even voordat de stroom op volle sterkte door de spoel loopt. In de tussentijd staat er wel de volle spanning op de spoel. Bij een spoel ijlt de stroom na op de spanning, bij een condensator ijlt de spanning na op de stroom. Vormt de condensator een lage weerstand als de spanning wordt ingeschakeld, de spoel vormt een hoge weerstand als de spanning wordt ingeschakeld. Het vertragingseffect van de spoel kan worden gebruikt om over een korte lengte, de lengte van een ¼ lambda te substitueren. Hoe groot de spoel moet zijn (het aantal wikkelingen en de diameter van de kern), hangt af van de frequentie en daarmee de golflengte. Vijf wikkelingen op een kerndiameter van 8mm vormen een spoel die het effect van een ¼ lambda antennedeel vervangt. Indien de spoel van dezelfde draad wordt gemaakt als de antenne, dan hoeft er niets te worden gekoppeld of gesoldeerd en is de antenne tevens corrosie bestendig.
De antenne bestaat dan uit een condensator C (het eerste ¼ lambda deel), een spoel L in het midden gevolgd door een condensator C (het derde ¼ lambda deel). Dat maakt het tot een CLC antenne of ook wel een "Center Loaded Coil" antenne met een totale lengte van ½ lambda.
"Maar die mobiele marifoontjes dan?" "Daar zit maar een antennetje op van ongeveer 20cm." Ja en als u een dergelijk antennetje goed bekijkt ziet u dat ze meestal een spiraal-vorm hebben. Dit maakt ze soepel, maar zorgt ook voor een spoel in de antenne. Door een instelbare condensator te gebruiken aan de ingang van de antenne (een antenne-trimmer noemen de techneuten dat), is het geheel zo in te stellen dat het zich gedraagt als een kwart-lambda antenne. De afstraling van energie en ook de ontvangst van energie is echter nooit zo goed als bij een echte kwart-lambda of een driekwart-lambda antenne. Een versterker moet dit verlies dan compenseren. Een echte hoogfrequent freak gruwt bij zoveel natuurkundig gefoezel.

Antenne-bouw

Benodigde materialen:
1,5mm2 vinyl installatie draad, ca. 1,4m lengte voor de CLC antenne. (zwart, neem geen andere, want dan kloppen de eigenschappen van de de spoel die u moet wikkelen niet. Maakt u een kwart-lambda antenne, dan heeft het zelfs voorkeur 2,5mm2 installatiedraad te nemen.)
6mm Ø rondhout, ca. 1,60m lengte (voor de ¾ lambda antenne).
Aluminium behuizing 1550Q 60X55X30MM (Conrad) Bestnr.: 534473 - 89
1 kabelzadel (13mm) kan dienst doen als bevestiging van de antenne in de aluminium behuizing.
1 ¾" aluminium bevestigingsbeugel voor 22mm waterleiding of gasleiding, (de antenne kan hiermee op de hekstoel worden bevestigd)
1 boutje M6 x 30 RVS
6 tie-wraps (zonder metaal!)
Wat stukjes PVC slang uit de 'rommeldoos'

Een ¼ of ¾ lambda antenne:
Zaag een lengte van het rondhout af dat tenminste 7cm langer is dan de bedoelde antenne lengte.
Bevestig de koperdraad van boven naar beneden langs het rondhout met tie-wraps maar in deze binders mag geen metaal zitten! Zorg dat de draad aan de bovenzijde niet meer kan verschuiven, vastlijmen met polyurethaan lijm is aan te bevelen. Kan het wel verschuiven, dan klopt uw antenne lengte misschien niet meer als u klaar bent.
Aan de onderzijde schuift u een stukje PVC slang over de draad en het rondhout. Maak de slang een beetje warm, dan rekt deze mee en vormt zich mooi om de draad en het rondhout. Indien u de PVC isolatie om de draad laat zitten, kan het nu handig zijn om deze voor het gedeelte onder de PVC slang weg te halen. Als de koperdraad warm wordt gemaakt zal deze zich binnen de omtrek van de PVC slang voegen en kan het gat voor de antenne in het kastje ook rond zijn.
Boor aan de onderzijde van het kastje een gat voor de coaxkabel. Maak het gat niet te groot, zodat de coaxkabel er strak doorheen past. Gebruik een tie-wrap als trekontlasting.


het kastje.

 

 

 

Boor in de achterkant van het aluminium kastje een gat en bevestig een kabelzadel in het kastje met de M6 RVS bout, neem nooit een stalen schroef, deze heeft invloed op het magnetisch veld rond de antenne! Gebruik de 22mm bevestingsbeugel als moer, deze heeft een M6 schroefdraad.
Pel een stuk van de coax kabel aan en wel zo lang dat u de gevlochten mantel om de schroef van het kabelzadel, tussen het kabelzadel en het kastje kunt vastklemmen.
Boor nu het gat aan de bovenzijde van het aluminium kastje en centreer dit gat zorgvuldig met het kabelzadel in het kastje. Maak het gat niet te groot, zodat de antenne met het stukje PVC slang er omheen tamelijk strak in het gat past.
De antenne begint direct buiten het kastje, daar waar de draad zichtbaar wordt. Bij het bevestigen goed opletten dat de afstand tot de top bij een ¾ lambda antenne 1434mm is (478mm tot de top bij een ¼ lambda antenne).
Maak de kern van de coaxkabel nu vrij en verbindt deze met de koperdraad van de antenne (solderen kan, maar een getwiste bevestiging is meestal goed genoeg. Heeft u een krimptang en -hulzen, dan is dat ook heel mooi).
Wilt u de antenne corrosiebestendig maken? Gewoon lakken met blanke jachtlak, niet te dik, want dan duurt het een eeuwigheid voordat het droog is.

 

Als u de beschikking heeft over een goed gevulde 'rommeldoos', heeft u daar misschien wel een aluminium buis of staaf in zitten met een diameter van 6, 8 of 10mm en een lengte van ¼ lambda of ¾ lambda plus 6cm. Dan kunt u daarvan volgens hetzelfde recept een hele stevige antenne maken. Bij de Praxis zijn 10mm aluminium buizen te koop. Ik maakte daar een ¼ lambda en een ¾ lambda antenne van.

Wilt u de ½ lambda CLC antenne maken, dan moet u op een ¼ lambda afstand van de top, 5 windingen om het 6 mm rondhout draaien.


de centrale wikkeling.

 

Deze windingen moeten strak tegen elkaar liggen. De isolatie moet om de draad blijven, zo ontstaat er een 7mm spoelkern en heeft de spoel precies de juiste zelfinductie om bij deze frequentie de juiste impedantie te geven om een ¼ lambda antennelengte na te bootsen. Bij de antenne heb ik de spoel buiten het rondhout gehouden zodat ik met een ferrietkerntje de zelfinductie iets aan zou kunnen passen. Dit bleek echter niet nodig te zijn. Omdat het wel kek staat, heb ik de spoel met takelgaren gefixeerd en met takelgaren tegen het rondhout bevestigd. Het staat erg nostalgisch en ambachtelijk en is een heleboel werk. Daar tegenover staat dat tie-wraps gevoelig zijn voor UV-licht en bros worden. Takelgaren heeft dat niet.
De onderkant van de spoel moet op een ¼ lambda boven het kastje zitten.

Antenne polarisatie en antenne plaatsing

Draaggolven in het VHF en UHF gebied zijn gepolariseerd. Dit wil zeggen dat de zend- en ontvang-antenne een bepaalde voorkeursrichting hebben voor het zenden en ontvangen van de draaggolf. Televisie zenders waren altijd horizontaal gepolariseerd. Een televisie antenne moest dat dus ook zijn. Een Yagi-antenne, ook wel 'kippenladder' genoemd, bestond uit een aantal horizontale staafjes die het signaal 'binnen haalden'. Zou de ontvang-antenne een kwartslag worden gedraaid, dan verandert de polarisatie van horizontaal naar vertikaal en valt het signaal weg.
Bij marifonie is de draaggolf vertikaal gepolariseerd. De antenne moet rechtop staan om het signaal goed op te vangen en uit te zenden. Leg de antenne horizontaal, dan ontvangt deze minder of zelfs geen signaal. Maakt de boot slagzij, dan kan het noodsignaal dat op dat moment wordt uitgezonden, wel eens zo zwak worden dat het nergens wordt ontvangen. Stampt, rolt of slingert de boot, dan kan dat te horen zijn in de marifoon ontvangst. Gebruikt u een deel van een schuine stag als antenne, dan is de polarisatie niet 100% vertikaal en heeft u ook geen 100% ontvangst. Voor het uitstralende zend-signaal geldt hetzelfde. Voor kortegolf, middengolf en langegolf radio is de polarisatie niet kritisch, voor deze frequenties is een geïsoleerde stag wel een goede antenne.


Yagi antenne.

Er is nog iets aan die 'oude' Yagi-antenne; hij is richtinggevoelig. Dat komt door de staafjes van de 'kippenladder'. Vóór de eigenlijke antenne zijn de staafjes net iets korter dan een ½ lambda en achter de eigenlijke antenne zit een rooster of een serie staafjes en die zijn net iets langer dan een ½ lambda. De antenne zelf is precies een ½ lambda of om precies te zijn twee ¼ lambda antennes in elkaars verlengde. De korte staafjes voor de antenne worden 'director' genoemd en leiden het signaal naar de antenne, de iets langere staafjes of het rooster achter de antenne wordt de reflector genoemd en reflecteert het signaal naar de antenne. De afstand tussen de staafjes van de director onderling is iets kleiner dan een kwart-lambda. Door dit geleiden of het reflecteren van de draaggolf versterkt een Yagi-antenne het signaal als het uit een bepaalde richting komt.
Dit fenomeen heeft consequenties voor onze antenne. Staat de antenne naast een horizontaal metalen voorwerp, langer dan een kwart-lambda, dan zal dat metalen voorwerp de draaggolf reflecteren. Reflecteert het naar de antenne toe, dan is de ontvangst of de uitzending beter, maar reflecteert het weg van de antenne, dan is de ontvangst slecht of er is zelfs helemaal geen signaal. Een antenne naast een aluminium mast op een afstand van een kwart-lambda, zal in een bepaalde richting een geweldige ontvangst hebben, maar in de tegenover gestelde richting is de ontvangst belabberd. Een houten mast is niet geleidend en geeft dit effect niet. RVS verstaging is in bijna alle gevallen langer dan een kwart-lambda en heeft hetzelfde effect. Deze afscherming of reflectie is het sterkst indien de afstand tussen stag of mast en de antenne een kwart-lambda is. Is de afstand groter, dan neemt het effect van afscherming of reflectie af.
De beste plaats voor een marifoon antenne is dus boven op de mast. Er zijn hier geen metalen delen met een lengte van meer dan een kwart-lambda op een afstand van ongeveer een kwart-lambda. Dan wordt de mast wel minstens een kwart-lambda langer! Bij een houten mast, die ook geen metalen geleide-rail heeft voor de leuvers van het grootzeil, kan de antenne wel onder de masttop worden geplaatst, maar moet dan wel op meer dan een kwart-lambda afstand van de verstaging worden geplaatst (tenzij er een nylon verstaging is).
Het kan beter zijn een antenne op de kajuit te plaatsen (of op de preekstoel of hekstoel) dan in de mast of op een van de zalingen. Het is allemaal afhankelijk van die ene afstand; een kwart-lambda, in dit geval 48cm. Wat voor uw boot de beste plaatsing van een antenne is, kan niet zo maar worden gezegd. U zult moeten experimenteren. Dat kunt u doen door te zenden en met een veldsterkte meter te meten of het uitgezonden signaal in sterkte varieert als u rond de boot loopt of als u de boot 360o laat draaien ten opzichte van de veldsterkte meter. Niet iedereen heeft de beschikking over een veldsterkte meter en een andere mogelijkheid is dat u in een rustig stuk water in de buurt van een sluis gaat liggen waar u voldoende ruimte heeft om de boot 360o te draaien. U kunt dan opmerken of de de hoek van de antenne ten opzichte van de antenne van de sluis verschil maakt in sterkte van de ontvangst. Voor een dergelijke experimenten is een goedkope zelfbouw antenne zeer geschikt!

En... werkt het?

Ik heb de antenne niet in de top van de mast uitgeprobeerd, het strijken van de mast is tamelijk veel gedoe zonder een maststrijk installatie. Voor mij is plaatsing op de hekstoel het makkelijkst. Er zitten 2 schuine metalen stagen op meer dan een ¼ lambda afstand en de langste vertikale metalen staaf is de mast en deze zit op ongeveer 3,5m afstand (ca. 7 ¼ lambda's) en het is mogelijk dat deze reflectie geeft voor een zender precies achter de boot, danwel afscherming geeft voor een zender precies voor de boot.

Op kanaal 12 bij de haven van Malburgen bij Arnhem merkte ik daar in de ontvangst van de spaarzame uitzendingen niet echt wat van. Recht aanvarend op de antenne kreeg ik niet de indruk dat met een paar graden koerswijziging het signaal verbeterde doordat de zend-antenne 'achter de mast vandaan kwam'. Wegvarend van de zend-antenne (langs de zuidoever van de Nederrijn in de richting van de IJsselkop) had ik wel last van een enorm hoog stalen vrachtschip dat er tussenin voer. Het blokkerde het signaal geheel. Ik heb niet kunnen proberen of de ¾ lambda antenne wel wat zou kunnen ontvangen, met zo'n kolos in de buurt van mijn kleine bootje wordt ik toch een tikkie zenuwachtig en ga ik niet even van antenne wisselen.
Concluderend... het werkt! Het is mogelijk voor €15 zelf een behoorlijke marifoonantenne te knutselen.

   
   
   
   
© Zeilersforum.nl