Dat drijfvermogen voorin lijkt mij eigenlijk vooral interessant aan de wind, gek genoeg.
Het grote euvel van al die breedkonten met scherpe boeg is namelijk dat je ze aan de wind zoveel mogelijk rechtop moet houden, omdat onder helling de boeg naar beneden gaat wijzen en je verhoudingsgewijs nog meer paaltjes pikt dan je met een 'normale' romp aan de wind al zou doen. Voor de wind heb je dat extra drijfvermogen voorin veel minder nodig. Dan gaat het vooral om een plat onderwaterschip achterin.
Je ziet geen planerende motorboten met scow-romp, bijvoorbeeld.
Bij de traditionele taartpunt is de hoek van de as waarover het schip zich helt aan de wind erg groot. De taartpunt is dan het meest gunstige ontwerp; een spitse voorpunt voor aan de wind performance en een brede kont voor downwind. De kiel staat dan eigenlijk niet meer in lijn met de vaarrichting. Daarom is er erg veel geëxperimenteerd met draaibare kielen of kielen met trimflappen. De steekzwaarden van kantelkielers staan ook in een hoek tov de as van de boot, maar daarbij moet je uitagaan van een "gemiddelde" helling waaronder de zwaarden optimaal staan.
Bij een stompe rompvorm is de as van hellen veel meer in lijn met de as van de boot en de kiel staat dus van nature rechter. Dat spaart een zeer ingewikklede en foutgevoelige constructie en een extra trimcomplexiteit van een trimbare kiel (daar zit je niet op te wachten als je 4 weken lang niet mag slapen). Daarnaast verhoogt het de vormstabiliteit en sommige scowontwerpen hebben dus niet eens ene kantelkiel. Maakt de constructie goekoper, minder foutgevoelig en spaart een extra trim. Bijkomend voordeel is een hoger zeildragend vermogen voor de wind, omdat de punt minder snel duikt.
Nadeel is een groter nat oppervlak en de onmogelijkheid om met korte golven aan de wind te varen. Dat is al niet mogelijk in een pogo1!