Zomer 2009. Naar Denemarken en terug.
Eigenlijk ben ik knettergek.
Nee, dat is niet de conclusie van een erkend psychiater maar meer een gedachte die zachtjes komt opborrelen wanneer ik mijzelf eens onder de loep neem.
Die gekte van mij heeft alles te maken met mijn hang naar het water, ga maar na.
Nog voor ik lopen kon en ondanks dat er een hekje omheen stond om hun eigen kinderen te beschermen, zag ik kans om in de vijver van kennissen te rollen waar een buurman, die het zag gebeuren, me nog maar net op tijd uitviste.
Lang voor ik, op achtjarige leeftijd, mijn zwemdiploma haalde bouwde ik al vlotjes waarmee ik op de Amstel voer en me een stoere zeeman voelde. Het was alleen jammer dat er daar ook echte schepen zoals de sleepboten van de stadsreiniging voeren, die met hun golven mijn gammele bouwsels uit elkaar sloegen en ik, hangend aan een paar planken, naar de kant moest krabbelen. Wanneer ik dan soppend naar huis sjokte, rende mijn oudere broer Japie vooruit en brulde in het trappenhuis:’Máááá, Appie heb weer in de majem gelege!’
Dat ik met mijn veertiende naar het opleidingsschip de “Pollux” zou gaan stond voor mij al vast, ik wilde naar zee en dat kon geen mens me uit de kop praten. Wanneer ik later na een reisje van een halfjaar of langer thuiskwam, gaf ik mijn moeder een zoen en een plunjezak met vuile was, maakte mijn kajuitjachtje gereed en ging het IJsselmeer en de Wadden onveilig maken.
Toen ik, jaren later, aan de wal kwam, ben ik altijd iets met schepen en water blijven doen en nog steeds. Ik werk als sluismeester aan het water, woon in een ark op het water, breng mijn vakantie door in een zeilboot op het water, zwem regelmatig in het water en soms, héél soms, bij wijze van uitzondering, drink ik water.
Je zult het dus met me eens zijn dat er bij mij meer dan één steekje los zit en de kwalificatie “knettergek” hier meer dan op zijn plaats is. Nee, dank je, ik zoek geen professionele hulp, daarvoor ben ik te zeer aan mijn afwijking gehecht, daar laat ik beslist geen zielknijper op los, je weet perslot nooit wat een zo’n idioot er mee doet.
Zo, genoeg geouwehoerd, laten we maar eens aan het reisje “Denemarken en terug” beginnen.
Purmerend – Schoorldam.
Vrijdag 14 aug.
Het is stralend weer, er staat een zuidwestelijk windje, 2-3 bft. en terwijl Marjanne de laatste boodschappen doet, laat ik de mast zakken en sleep nog wat onnodigheden “die misschien nog wel eens van pas kunnen komen”aanboord. Het is maar goed dat “Zeebeest” geen wedstrijden hoeft te varen, want ze ligt al een behoorlijk stuk over haar merk. Dit mede door 110 liter diesel, 130 liter drinkwater, heel veel proviand, stapels kleren, een doos of wat bier, iets van 30 flessen wijn, een extra tube tandpasta en nog zo wat dingetjes die je overal onderweg gewoon in de winkel kan kopen. Maar ja, maak dat Marjanne maar eens wijs.
Het is 11:00 uur, we nemen afscheid van onze dochter en haar vriend en, kroelen de katten even op hun kop. De kleinste, een katertje van acht weken oud dat door mij, dankzij zijn grote oren en uitpuilende ogen, consequent met Gollem wordt aangeduid, is om aan mensen te wennen tijdelijk door het asiel bij mijn dochter geplaatst. Volgens de planning zal hij over een á twee weken op de aanbod lijst staan, dus die zien wij na de vakantie niet meer terug. Ik zeg tegen mijn dochter:’Denk er om, ik wil Gollem echt niet houden, we hebben al drie katten en dat zijn er twéé teveel.’ Ze kijkt me aan met een blik van ‘Man zeur niet’ en zegt verveeld:’Já pá, dat weet ik nu onderhand wel, dat heb je al hónderd keer gezegd.’
Dit gaat me te ver, ik kom nu met grof geschut:’Niet zo brutaal moppie, anders neem ik je nu de autosleutel af.’ Ze lacht even lief naar me en zegt vol vertrouwen:’Dat doe je toch niet.’
Vrouwen, bah!
We steken af en kachelen naar de eerste brug, de buurman van zes arken verderop staat buiten op de rand zijn ramen te lappen. ‘Hoi buur, als je hier klaar bent mag je de mijne ook even doen, ik heb er zelf even geen tijd voor.’ ‘Ja, dat zal ik doen, de rekening krijg je vanzelf in de bus. Gaan jullie een weekendje zeilen?’ ‘Nee, dit wordt onze vakantie.’ ‘Waar gaan jullie heen?’roept hij ons na. ‘Denemarken!’ ‘Veel plezier en kom heelhuids terug.’ ‘Dank je!’ Roep ik over mijn schouder en vaar de al geopende brug in. Na vijf bruggen varen we het Noord-Hollandschkanaal op. Mijn sluis laten we aan BB liggen maar wel roep ik even per VHF mijn charmante Friese collega op. Ze wenst ons goede reis en komt op het bordes staan om ons uit te zwaaien.
We varen onder de vaste brug van de snelweg door en zien de Neckermolen, afgetekend tegen een mooie lucht, in een puur Hollands landschap staan.
Een kilometer of acht verder komen we langs een van de provinciale opslag terreinen en zien de N-H 2 een inspectie vaartuig liggen.
Met dit jachie ben ik ook al op pad geweest. Het heeft een prettig vaargedrag maar toch mankeert er wat aan …, er zitten geen zeilen op!
Dit pontje, bij Spijkerboor, vaart alleen in het zomerseizoen en verbindt twee delen van een toeristische fietsroute met elkaar.
Wanneer we langs het Alkmaardermeer komen en alle zeilbootjes daar zien varen, heb ik bijna spijt dat we de mast nog niet opgezet hebben. De wind is nu ZW 4-5, ideaal om even een uurtje op het meer te raggen maar nee, we gaan gewoon verder op het diesel zeil.
Bij de vuilverbranding van Alkmaar ligt de “Flevotrans” containers met huisvuil uit Flevoland te lossen. Dit schip vaart constant op en neer tussen Alkmaar en de haven van de Flevocentrale. Een groot deel van Alkmaar wordt van stroom voorzien door het verbranden van afval uit andere gebieden.
Om 13:50 uur passeren we in Alkmaar de bekende werf van Nicolaas Witsen. Hier werden een paar eeuwen terug al fraaie zeegaande schepen gebouwd. Nu zijn ze puur op jachten gericht.
Om ca. 15:15 uur, meren we af bij een werfje in Schoorldam. Waarom we niet verder gaan naar Den Helder? Dat zit zo, Tineke het zusje van Marjanne is jarig en we kunnen het niet maken om die verjaardag over te slaan. Daarom was de afspraak, dat we wel vrijdag zouden vertrekken maar vlak bij huis, ergens bij het Alkmaardermeer, zouden aanleggen om door mijn dochter opgehaald worden voor het grote tuinfeest met BBQ en het nodige drinkwerk. Dat ik in mijn ijver per ongeluk een kilometer of vijftig verder ben gegaan dan afgesproken? Kom zeg, nu moet je niet gaan zeuren over kleinigheden.
Ik bel mijn dochter:’Hoi schat kan je ons over twee uurtje komen ophalen?’ ‘Nee pa, Mike en ik moeten eerst nog ergens anders heen maar ik heb met Henk (de man van Tineke) afgesproken dat hij jullie zelf even ophaalt. Bel hém maar.’ ‘Oké, ik zie je vanavond.’
Ik bel het huisnummer van Henk ‘Met Tineke.’ Hoi Tinus met Albert, mag ik Henk even?’ Een seconde of wat blijft het doodstil dan hoor ik een verontwaardigt gesnuif gevolgd door ‘Nou já zeg.’ En de roep ‘Henk, het is voor jou.’ ‘Met Henk!’ ‘Hoi zwager, kan je ons straks even oppikken bij Schoorldam?’ ‘De scharreldam? Is dat bij het Alkmaardermeer?’ Heel voorzichtig leg ik uit dat het toch wel een ietsepietsie verder is dan dat en dat ik in mijn enthousiasme al bijna tot Den Helder ben gegaan. Henk, die ook van varen houdt, kan er hartelijk om lachen. ‘Oké, heb je een adres voor mijn Tom Tom?’
Om het wachten te bekorten, neem ik wat foto’s van “Zeebeest”.
Zo tussendoor zeg ik tegen Marjanne:’ Die zus van jou is ook een rare, ze reageerde zo vreemd toen ik naar Henk vroeg.’
‘Wat heb je dan gezegd?’ ‘Nou gewoon net als altijd, hoi Tinus mag ik Henk even?’ Marjanne kijkt me boos aan. ‘Heb je haar dan niet gefeliciteerd? Ze is nota bene jarig en jij feliciteert haar niet eens!’ ‘O, is dat het? Nothing in de fucking road, dat maak ik straks binnen vijf seconden weer helemaal goed, let maar op.
Ook het werfje moet op de kiek
Henk pikt ons op en brengt ons weer naar Purmerend. We gaan naar binnen en zien Tineke in de tuin bij de tafel met lekkere hapjes. Ze kijkt me pinnig aan en opent haar mond om mij mijn vet te geven. Nog voor ze ook maar een woord uit kan brengen, vlieg ik op haar af, til haar op, zwaai haar drie keer in het rond, zoen haar links, zoen haar rechts en nog een keer op de mond. ‘Tinus schat, van harte meid en dat ik nog heel veel verjaardagen met je mee mag vieren.’ Ik zie dat ze al bijna helemaal “om”is, dus zeg ik:’Kijk zó feliciteren doe ik niet íedere mooie vrouw, dat bewaar ik voor speciaal voor jou, de anderen handel ik per telefoon af.
Tineke kent me goed genoeg om te weten dat ik haar probeer in te pakken maar staat toch te stralen ze geeft me een zoen op de “platte bek” en zegt:’Biertje?’
Albert