Jarenlang had ik een tjalkje in onderhoud. Vooral met het overvolle machinekamertje had een moeizame relatie.
In die kleine ruimte onder de verlaagde kuipvloer bevonden zich de Ford diesel (klem tegen de kuipvloer) met keerkoppeling en homokineet en een extra grote dynamo, het expansievat van de kielkoeling, een dieselgeneratorset, een 200-literboiler met elektrisch element èn koelwaterspiraal, een hydropack voor het stuurwerk, een handlenspomp en een elektrische lenspomp die samen een berg afsluiters, pijpen en een manifold deelden, een dekwaspomp met wierpot, een handbediende en een elektrische vuilwaterpomp met grote driewegkranen en dikke pijpen, een grote Speckhydrofoor met 100-liter drukvat, een brandstoftank van 600 liter, twee 110 Ah startaccu’s, twee 230 Ah huishoudaccu’s, twee 230 Ah techniekaccu’s en een 12-volt-accuutje voor de generator.
En verder een grote hoeveelheid kabels, schakelaars, filters en pijpen.
En dat alles in een ruimte die nog geen 60 cm bruikbare hoogte had.
Menigmaal heb ik de hogere macht aangeroepen als ik er in een onmogelijke houding een onmogelijke klus aan het doen was. Maar Hij stak geen poot uit, voor zover ik weet. Misschien hoorde hij mij niet, want geen bereik onder het stalen dek.
Op een dag lekte het aftapkraantje van de warmwaterleiding. Het moest dus even vervangen worden. Niet zo moeilijk, toch?
Ik liet me door het luik naar beneden zakken, legde de benodigde gereedschappen samen met het nieuwe kraantje op de platen naast de motor. Vervolgens knikte ik mijn hoofd naar binnen, knielde deemoedig, schoof één voor één mijn benen naar achteren zodat ik met mijn buik op de anderhalfduims koelwaterleidingen kwam te liggen die daar boven de platen liepen.
Daarna strekte ik mijn armen vooruit, waarbij ik direct de materialen naar voren schoof. Zo hobbelde ik als een zeeleeuw op het droge naar voren door een heel nauwe ruimte.
Ik moest mijn armen gestrekt vooruit houden, want als ik ze gewoon langszij mijn lijf zou houden, zou er te weinig ruimte zijn om ze alsnog naar voren te kunnen bewegen.
Ik hobbelde verder over de twee grote huishoud-loodaccu’s heen, langs de hydro-pack onder de brandstofleidingen door. Zo bereikte ik het defecte aftapkraantje.
Na een half uurtje zat de nieuwe kraan op z’n plek. Ik had kramp in m’n armen, een bloedende hand, pijnlijke knieën, een ontvelde scheen, een bult op m’n voorhoofd en een beurse buik (waarmee ik op de accu’s lag).
Langzaam, nog steeds in gestrekte hoera-houding, hobbelde ik weer achteruit, tevreden over de geleverde prestatie.
Totdat mijn overall zich vasthaakte aan een pijpbeugel, jeweetwel, van die anderhalfduims koelwaterleiding waarover ik me bewoog.
Ik kon niet verder achteruit. Maar ik kon mijn gestrekte armen ook niet naar achteren bewegen om mijn overall los te maken van de pijpbeugel, te weinig ruimte voor de ellebogen.
Stukje vooruit. Stukje achteruit. Stukje vooruit, beetje draaien, weer achteruit. Grrrr. Stukje de andere kant op draaien. Oeh: kramp! Toch proberen een arm naar beneden te krijgen, kansloos. Kramp in m’n nek. Mijn hoofd op de accu’s. Nog tien of vijftien of twintig keer voor- en achteruit en draaien en kronkelen.
En dan, een hele tijd later, opeens los!
Verder achteruit, één voor één mijn armen weer langs het lijf, eindelijk weer bloed in die armen, dan de benen weer tot hurkhouding dwingen, het hoofd geknikt door de luikopening naar de vrijheid persen. Pfff, ademhalen.
O shit, het gereedschap ligt nog op de accu’s…..