Je hebt windgolven, direct door de wind opgewekt, en deining die daaruit ontstaat.
Die deining heeft een golflengte die beperkt wordt door de waterdiepte. Bij een grote diepte en lange deining kan daarin heel veel (golf)energie worden opgeslagen.
In een groot bad, zoals de oceaan, kan de deining zich uit het golfveld los maken.
Dat grote bad is diep dus de deining kan zich tot lange golven ontwikkelen.
Komt dat deinignsveld naar ondieper water of naar land dan neemt de golflengte af. En omdat de energie in die golven gelijk blijft neemt de golfhoogte toe. De deining neemt dan een vorm aan die geheel ontkoppeld is van de lokale wind.
In een klein ondiep badje kan dat veel minder grootse vormen aannemen.
Maar een haventje is weer een kleiner badje binnen het IJsselmeer.
Kortom, je hebt op het IJsselmeer ook deining maar het verschijnsel is minder groot, kan minder energie opslaan en de golven zijn minder hoog. Sowieso minder lang want de IJsselmeer is minder diep dan de oceaan.
Het verschil, oorzaak en gevolg, is er wel. Wij gebruiken er dezelfde woorden voor. Groot of klein bad.
De Engelsen ook, maar dan swell en waves.
De Kreupel is zowel bij vlak water, golven als deining dicht.