1. Een
onderzoek uit 1981 door de werkgroep ‘Verontreiniging van recreatiewateren door de pleziervaart’.
Toen deze werkgroep begon was er zoals ze zelf aangeven geen informatie over de vervuiling van recreatiewateren door de pleziervaart.
Dit onderzoek heeft zich alleen gericht op
concentratiepunten van stilliggende pleziervaart op besloten water. Zeg maar de 'zwemmen rond de boot' aanlegplaatsen tijdens zoals het rapport het noemt 'mooie weekenden'. Op die specifieke plekken werden de toen geldende zwemwaternormen van de Gezondheidsraad en EG met mooi zomerweer vaak overschreden. De onderzochte locaties staan op een kaartje in het rapport aangegeven.
De onderzoekers melden ook dat de bacteriologische veranderingen bij de onderzochte concentratiepunten:
"gewoonlijk veel groter zijn dan bij de referentiepunten, waar geen of nauwelijks directe beïnvloeding van de waterkwaliteit door pleziervaarders aanwezig is. De bacteriologische kwaliteit van het water (referentiepunten) varieert van goed tot redelijk."
"...Uit de resultaten van het onderzoek blijkt dat de zwemwaterkwaliteit van het 'open' water buiten de concentratiepunten in het licht van de EG-zwemwaternormen bacteriologisch als zeer redelijk tot goed is aan te merken.
Op open water met intensieve pleziervaart zoals het Zweiland, Loosdrecht en het Heegermeer blijft het coligehalte duidelijk onder de normen...".
Zelfs even buiten de aanlegplaatsen blijkt er van een probleem in 1981 dus geen sprake.
De onderzoekers melden ook het effect van opwoelend bacterierijk slib door scheepsschroeven, net als de invloed van de zwemmers zelf, watervogels, meegenomen huisdieren, koeien, paarden, konijnen en ratten en proberen zo tot een verklaring te komen waarom de gemeten verontreiniging op de concentratieplekken gedurende een etmaal soms aanzienlijk varieert (van 'goed' naar 'slecht').
Ze raden aan om het lozen van fecaal afvalwater van pleziervaartuigen
op de concentratiepunten te verminderen, het voeren van watervogels (komen op de toeristen af) te ontraden en het bodemslib ter plaatse met zekere regelmaat te verwijderen. In hoeverre dat laatste ook door de overheden wordt gedaan is mij niet bekend.
Hun conclusies zijn o.a. dat:
- in ‘concentratiepunten van pleziervaartuigen (jachthavens, aanlegplaatsen)’ de waterkwaliteit op drukke dagen in een aantal gevallen niet aan de EG-norm voldoet en in veel gevallen niet aan de steeds gehanteerde norm van 1000 E.coli/100ml.
-
buiten de concentratiepunten het water doorgaans ruimschoots aan de normen voor bacteriologisch betrouwbaar zwemwater voldoet.
Kort gezegd: anno 1981 was er alleen bij specifieke
concentratiepunten van pleziervaartuigen (en dan ook nog gemeten tijdens drukke weekenden) sprake van relevante bacteriologische verontreiniging door pleziervaartuigen. Buiten de drukke aanlegplaatsen en jachthavens speelde het lozen van fecaal materiaal - ook op mooie (drukke) watersportdagen - geen rol.
2. Ook het tweede en al eerder gelinkte
onderzoek van de Grontmij gaat - zoals de onderzoekers nadrukkelijk aangeven - over concentraties stilliggende boten:
"Het is onbekend op hoeveel locaties de beschouwde situaties zich in Nederland jaarlijks voordoen, zodat het niet mogelijk deze resultaten door te vertalen naar een beeld voor heel Nederland."
Naast hun conclusie dat 'groepjes van pleziervaartuigen, die voor een eilandje in een recreatieplas voor anker liggen of aangemeerd zijn langs de wal van een klein kanaal' de bacteriologische waterkwaliteit beïnvloeden bij het legen van het onderwatertoilet en hierdoor de (in die tijd voorgestelde) EU norm voor zwemwater 'in de directe nabijheid van de groepjes pleziervaartuigen' wat betreft E.coli vaak overschreden wordt concluderen ze ook:
"Op grotere afstand van de toiletwaterlozingen van de pleziervaartuigen was de bacteriologische verontreiniging geringer door vermenging met het omringende recreatiewater. Geen beïnvloeding kon worden aangetoond van de officieel aangewezen zwemlocaties."
Opnieuw is dus de conclusie dat de effecten zeer plaatselijk zijn.
Een belangrijke reden voor dit door het Rijksinstituut voor Integraal Zoetwaterbeheer en Afvalwaterzuivering (RIZA) geïnitieerde onderzoek wordt door de onderzoekers overigens zelf beschreven:
"Op het ogenblik wordt hoofdzakelijk op basis van expert judgement geredeneerd. De nieuwe richtlijn vereist echter dat er meer kennis over routes en systemen vergaard wordt en dat dit vastgelegd wordt in een zwemwaterprofiel. Beheersmaatregelen kunnen hierdoor in de toekomst op basis van metingen en feiten genomen worden."
Het is natuurlijk goed dat de overheid alsnog een feitelijke basis zoekt voor reeds ingezet landelijk beleid, maar dat ook dit onderzoek (2004) zich weer richt op de specifieke gebieden waar in de zomer concentraties bootjes bij elkaar liggen op besloten water helpt de onderbouwing van een landelijke maatregel mijns inziens niet echt. Dat je stilliggend in de haven of aan een recreatie eilandje waar rond de boten gezwommen wordt de toiletafsluiter niet open zet is voor (bijna) iedereen ook zonder deze onderzoeken al duidelijk.