Dag Herbert,
Het is mooi dat er mensen zoals u zijn, die zich intensief bezighouden met de nabije historie. En gelukkig hebt u de aantekeningen van Maurice Kaak, die zonder enige twijfel een reus is in zijn vakgebied.
Ik heb een aantal opmerkingen vanuit mijn levens- en werkervaring:
de detaillering van schepen was nooit éénduidig. Iedere werf en iedere schipper of scheepseigenaar had zijn eigen ideeën, oplossingen en handigheden.
Halverwege de negentiende eeuw verschenen overal spoorbruggen over rivieren en kanalen, waar tot die tijd meestal sprake was van onbeperkte doorvaarthoogten. Er ontstond dus een noodzaak om masten strijkbaar te maken, en dat dan liefst zo makkelijk mogelijk.
In Nederland betaalden de spoorwegmaatschappijen een bedrag aan de rivierschippers, zodat die hun masten strijkbaar konden maken door middel van aangepaste mastkokers en lieren. Al gauw ontstonden er zogenoemde anderhalf-masters, vaak rivierklippers, die een grote fokkemast hadden (strijkbaar met bokkepoten en een lier op het voordek) en een kleine bezaanmast met steng. De bezaanmast was zo kort dat die staand onder de spoorbruggen paste, terwijl de steng geschoten kon worden vanaf het dek.
Het grote voordeel van deze constructie was dat de bezaan altijd voortstuwing kon blijven geven.
De exacte constructiedetails verschilden wel van schip tot schip.
Andere, meestal kleinere schepen werden vaak van een onderstrijker voorzien: een mast die werd voorzien van een zwaar gewicht (gietijzer of lood) op de voet, waarmee die ongeveer in evenwicht ligt. Naar gelang van de ideeën van de schipper of werfbaas kon de constructie allerlei bijzondere details kennen.
Ook de poon waar ik aan werkte heeft zo’n mast met contragewicht, ongeveer 1200 kilo lood.
Ik twijfel er niet aan dat er ook bij pleiten geen sprake was van standaardoplossingen. Dus dat er ook geen sprake is van “zo moet de knecht/nagelbank zijn”. Elke schipper zal graag een zo handig mogelijke constructie zien, specifiek voor zijn schip en zijn omstandigheden.
Dit uitgangspunt maakt duidelijk, dat het voor een scheepshersteller (en modelbouwer!) heel belangrijk is dat die goed kan zeilen. Alleen dan kan hij/zij zich goed voorstellen wat handig is, wat werkt.
Specifiek kijkend naar de knecht, zien we wel vaak dezelfde basisvormgeving: een aan stuurboord en bakboord uitstekende balk, meestal vierkant met afgeronde hoeken, meestal met twee korvijnagels aan elke kant.
Meestal zitten de vallen van het grootzeil aan stuurboord en de dirk en fokkeval aan bakboord. In het midden zit, als er een giek gevoerd wordt, de lummelpot in een verbreding, dus extra ver naar achteren, zodat het zeil meer ruimte in het onderlijk krijgt bij ruimere koersen.
Soms moet de giek worden weggehaald voor het strijken van de mast omdat anders het zeil bekneld zou raken. Soms wordt de lummel in een excentrische lummelpot omgestoken, soms is er een dwarsscheepse gleuf waarin de lummel kan wegschuiven. Ook hier dus geen éénduidige constructie.
Voor de overige vallen en talies zitten er vaak houten klampen (meestal éénhoornige klampen dus geen kikkers) en schildpadblokken aan de mastkoker, Maar ook zaten er vaak nagelbanken in de verstaging.
Tot zover, nu.