Een ouwetje uit mijn sluisflippertijd.
Bylgia II
Ik moet weer terugdenken aan een voorvalletje van alweer wat jaartjes geleden. Toen ik een type “Bylgia” in mijn sluis kreeg.
Het speelt in het najaar, de stille tijd met weinig schutverkeer. Uit de richting van Amsterdam komt een motorboot aanzetten. In die tijd bedienden we de beneden deuren nog terplekke, dus ik loop naar het benedenhooft, zet de deuren open en laat de boot binnenvaren. Verrek, dat lijkt de “Bylgia” wel. Terwijl ik de deuren achter zijn kont dicht doe, meert de boot af in de sluis. De deuren zijn dicht en ik kom, op weg naar het bovenhoofd, langs dat mooie scheepje.
Een snuiter van een jaar of dertig hangt een fender goed. Ik zeg: ‘Goedemiddag, is dit nu de originele Bylgia of een replica?’
Hij richt zich op, kijkt me aan met een blik of ik stront ben, draait zonder wat te zeg zijn hoofd af, stapt de stuurhut in en doet de deur dicht. Even sta ik versteld, mijn klantjes hoeven me echt niet om mijn nek te vliegen of een buiging voor me te maken maar op een vriendelijk “goedemiddag” verwacht je toch op zijn minst een fatsoenlijk antwoord terug. Mijn verbazing is snel verdwenen, ik word zelfs een tikkie pissig, ik denk: ’Oké jochie, je vraagt er om, dan zul je het krijgen ook!’
Ik loop door en ga naar boven, de bedieningstoren in en pak mijn puzzelboekje.
Halverwege het derde cryptogram gaat de deur open en stapt “Jochie” naar binnen. Nogal hoog te paard informeert hij wanneer er eindelijk eens wat gaat gebeuren. Ik zeg: ‘Ik heb je níet horen kloppen, probeer het nog maar een keer.’
Ik wijs naar de deur. Hij sputtert tegen maar ik blijf, terwijl ik hem strak aankijk, naar de deur wijzen. Hij stapt kwaad naar buiten, klopt en stapt meteen naar binnen.
‘Goedemiddag, zeg het eens.’
‘We liggen hier al bijna een uur, wanneer ga je nu eindelijk eens sluizen?’
Ik leun achterover in mijn stoel, vouw mijn handen op mijn buik en kijk hem vriendelijk aan.
‘Ten éérste groeten we hier netjes, ten twééde heb ik niet bij je in de klas gezeten dus spreek jíj mij met meneer en U aan en ten dérde heet het niet sluizen maar schutten. Dus als je vandaag nog verder wil…?’
Jochie staat onderhand op ontploffen maar verbijt zich en zegt: ‘Goedemiddag meneer, wanneer gaat u slui… eh, schutten?’
‘Nu!’ zeg ik terwijl ik opsta en een paar knoppen indruk om de kolk vol te laten lopen, ‘kijk het water stroomt al.’
Hij stapt zonder wat te zeggen naar buiten.
Tegen zijn rug zeg ik: ’O ja, over een paar minuten is het spertijd,’ hij verstijft, ‘dan mag de brug niet meer draaien maar wees niet bang, over een dik uur ga ik weer verder.’
Ach, zo heel af en toe loopt er een tussendoor die een lesje nodig heeft maar de meeste bootjesmensen zijn gewoon aardige lui waar je een geintje mee kan maken.
Neem nu een van mijn vaste klantjes, hoe hij heet weet ik na al die jaren nog steeds niet maar steeds wanneer hij de sluis invaart steekt hij zijn kop met wilde baard uit de stuurhut en begint luidkeels te schelden op die ‘Luie ambtenaren die verdomme te besodemietert zijn om ook maar één slag eerlijk werk te verzetten, vooral die sluispikken, die zijn nog te beroerd om uit hun ogen te kijken!’
De mensen die voor de geopende brug staan te wachten spitsen hun oren.
Terwijl ik de brug laat zakken en hij in de kolk afmeert, brul ik hem toe: ‘Lelijke baardaap, ga terug naar Artis en laat je vlooien door die andere apen!’
Hij roept: ‘Mot ik effe bij je komme hufter? Dan zal ik je tronie es effe vakkundig verbouwe’
’Ha, neanderthaler, had je de moed en de kracht maar!’
Intussen zijn de slagbomen al omhoog en de auto’s rijden door maar de meeste fietsers en voetgangers hebben deze keer helemaal geen haast, integendeel, ze willen hier niets van missen.
De “baardaap” roept: ’Wacht maar, ik kom er an!’
Hij stormt de trap op en Brult in de deuropening: ’Zo, nou ga je er an!’
Hij trekt de deur achter zich dicht en ik vraag terwijl ik inschenk. ’Het was toch mét melk en zónder suiker?’
Albert