Brrrr. Koud hé?
We doen tussendoor een reisje Oostzee
Het is hartje winter en het vriest dat het kraakt.
Het is, ondanks dat het al na elven is, iets van dik 30 ° onder nul.
We zijn daarnet, met een grote ijsbreker voor ons uit om de geul open te breken, in Gävle voor de kant gekomen om hout te laden.
Meteen, nog voor we de luiken hebben open gegooid, komen de bootwerkers aan boord die, zoals het echte Zweden betaamt, vragen of we drank hebben.
Dat klinkt ongeveer zo, “ha du sprit?”.
Ja natuurlijk hebben we sprit, 52 % schnaps, speciaal voor de handel taxfree in geslagen in Rendsburg, dus we kunnen zaken doen.
Op dat moment arriveert er nog een bootwerker die, net als de anderen, zijn fiets tegen de loods plaats en de gangway op stiefelt.
Meteen zijn de bootwerkers niet meer geïnteresseerd in drank of sigaretten.
De voorman geeft me een knipoog, knikt even richting nieuwkomer en schud kalm van nee.
Ik weet genoeg.
‘Jongens, hou je drank en sigaretten nog even uit het zicht, we hebben er een van de zwarte bende aanboord, het is die met die dubbele kwastjes aan zijn muts.’
In de meeste landen komt de zwarte bende - visitatie ploeg van de douane – als ze al komen, altijd met openvizier, gekleed in een donkere overall en met een pet op, zich netjes melden voor ze beginnen te zoeken.
Hier in Zweden doen ze het vaak wat achterbakser en komt er, zoals nu, maar ééntje vermomd als bootwerker.
Het eerste dat de kerel doet, is vragen naar sigaretten en “sprit”.
Dat zou smokkelen zijn en daar doen wij, leden van de Oprechte Nederlandse Ghrrristelijke Koopvaardij, niet aan.
Het idéé alleen al!
Natuurlijk vertrouwt hij onze onschuld uitstralend engelen smoeltjes niet maar ondanks dat hij best snapt dat we hem doorhebben, blijft hij in zijn rol, draait zich om en loopt naar het voorschip.
Wanneer hij op de bak “heel onopvallend” rond het ankerspil is gelopen en heeft gecheckt of er tussen de fundatie balken of in de kettingkluizen geen interessante dingen schuilgaan, daalt hij, via het stalen luik, af in het kabelgat.
Nu heeft hij daar, als “bootwerker”, geen ene malle moer te zoeken.
Op mijn klokje is het al bijna halftwaalf, ik roep naar de matrozen: ‘Jongens het loont niet meer om voor de schaft nog aan een nieuw karweitje te beginnen, ga je klauwen maar wassen en kom om één uur maar weer met je kloten aandek.’
Dat hoef ik niet nog eens te zeggen, vooral die twee Kaapverdianen, die niet meer zwart zijn maar grauw zien van de kou, zijn in een oogwenk vertrokken.
Kalm wandel ik naar het voorschip en ga zonder te stampen de trap naar de bak op.
Ik sluip naar het luik, maak voorzichtig de borg los en laat het zakken.
Van beneden klinkt er een gedempt roepen, dat ik natuurlijk, echt eerlijk waar, niet hoor.
Meteen draai ik de knevels vast en loop naar de voorman.
Achter mijn rug klink het slaan van ijzer op ijzer.
‘Voorman, ik zie die namaak bootwerker nergens meer, hij is zeker weer weggegaan.’
We kijken allebei naar het voorschip waar het geluid vandaan komt en dan naar de loods waar nog steeds de fiets van die kerel staat.
‘Ja, dat denk ik ook.’
‘Mooi, dan kunnen we nu zaken doen.’
Na dat de nodige flessen schnaps en sloffen sigaretten van eigenaar zijn gewisseld, ga ik ook naar achter om bij het fornuis van de kanenbraaiër bij te komen van de bijtende kou.
Na enen gaan we weer aan dek.
‘Jongens, ga de bak maar sneeuwvrij maken.
Wanneer ze het luik opentrekken en afdalen om scheppen en bezems te halen, treffen ze daar een totaal verkleumde “bootwerker” , die zo’n anderhalf uur heeft zitten vernikkelen in de vrieskou.
Al klappertandend komt hij, ondersteund door een matroos, het kabelgat uit.
Ik schrik wanneer hij aan dek staat, tering wat ziet die vent er beroerd uit, hij had daar niet veel langer moeten zitten.
Omdat ik me toch wel een tikkie schuldig voel, neem ik hem mee naar de messroom en geef hem een grote mok hete koffie met een flinke scheut Jamaica rum.
Ik zie hem ,met grote ogen naar het etiket kijken.
‘Nee man, dit is alleen maar een hoestdrankje, zoals ik daarstraks al zei, we hebben geen sprit aan boord..
Nog een extra scheutje?’
Hij houdt met twee handen zijn mok omhoog en knikt dankbaar.
Albert