Uit oude post:
Sunday schreef :
...
Wat hier staat is niet onbelangrijk: de gebruikte lijn is de grootste verliespost in een takel.
Dit komt door rek en vervorming in het touw over de schijf. en met rek wordt dan bedoeld dat de buitenste delen van het de lijn over de schijf moeten meer rekken dan de binneste delen, of andersom bij zeer rekarme lijnen: de binnenste delen moeten meer in elkaar geperst worden dan de buitenste.
Dik, stijf, en door constructie en vezelstructuur "stroef" touw zal veel arbeid (=verlies) vragen bij de vervorming over de schijf, en dit neemt toe bij grotere belasting.
Dun, soepel en "glad" touw zal veel minder arbeid vragen. Hier is Dyneema dus wel ideaal: erg dun voor treksterkte en intern -de vezels onderling- superglad.
Het arbeidsverlies onder het hierboven beschrevene neemt -natuurlijk- toe bij een kleinere schijf: er wordt een grotere vervorming van de vezels onderling in de lijn geeist. Bij grotere schijf dus minder verlies.
Arbeidsverlies in grootte:
1. dikte en constructie lijn (leidt tot warmte IN de lijn!)
2. schijfdiameter in combinatie met (1)
3. Warmte door wrijving in het lager/ in de as van de schijf.
In het artikel staat ook een beter uitvoerbare testopstelling dan de door mij voorgestelde voor het bepalen van het arbeidsverlies in het blok:
Dit vraagt twee identieke blokken, maar maakt het opvoeren van de "load" tot SWL veel eenvoudiger.
Je meet hier simpel tweemaal het arbeidsverlies.
Met deze opstelling moet het mogelijk zijn om voor een gegeven blok inzicht te krijgen in de verliezen met verschillende lijnsoorten en bij de verschillende belastingen.
Ook moet het hiermee mogelijk zijn om bij gelijke lijnen te bepalen hoe de RAB's presteren ten opzichte van de dure, tot extreem dure gelagerde blokken. Extreem duur als we naar gelagerde blokken zoeken die de SWL van de RAB's benaderen.
Inmiddels heb ik twee testmodelleringen in mijn huis uitgevoerd:
1. Enkelvoudig blok met gewicht (20kg bijvoorbeeld) en dan met unster gaan hijsen en zien hoeveel meer kracht het kost om te hijsen en hoeveel minder kracht het kost om te vieren.
Geeft wel resultaten, maar lastig reprodugeerbaar. Vooral ook omdat je het gewicht 20kg in beweging moet krijgen en elke kleine bewegingsverandering een effect heeft op de gemeten kracht.
2. Zoals in plaatje in quote: twee blokken met rondlopende lus.
Je meet de kracht dient kost om de lus door beide blokken te laten draaien.
Werkt eigenlijk supergedelegeerden en levert zeer reproduceerbare metingen.
Als je gelijke blokken gebruikte deel je de gemeten kracht door 2 om de efficiency van één blok te bepalen. Daarna kun je vanuit die meting ook gaan werken met verschillende blokken omdat (één met reeds bekende frictie immers)
Mijn unster gaat nu tot 40kgf (mag ik dat zomqua eenheid van jullie uitdrukken? Daarmee kun je dus aardig grote krachten meten, ervan uitgaande dat een heel goed (kogelgelager) blok 95% efficiency heeft en een Rab (denk ik) rond de 90% zit: dat betekent dat de met mijn unster al metingen kunt doen met belasting van rond 400kg.
Zullen we op dit model eens doorfilosoferen en op de ZF wintermeeting een reeks van blokken aan effiency testen onderwerpen met belasting van 50 / 100 / 200 / 400 kg?? Of meer? ==> dan moet het ophangpunt wel héél solide worden
Punt van aandacht of verder onderzoek zou ook moeten zijn welke lijn we gebruiken voor de lus: om zo zuiver mogelijk alléén de schijf-frictie te meten verdient het aanbeveling om zo dun mogelijke lijn te gebruiken. Natuurlijk is het erg interessant om juist ook testen te doen met dikkere lijn om te zien in hoeverre dat een verminderde efficiency veroorzaakt.