Op andermans gasolie.
Wij voeren in "time charter" voor Fred Olsen tussen Oslo, Duisburg en Düsseldorf.
Dat die binnenkrauters niet zo blij met ons waren, lieten ze duidelijk blijken. Wij pleegden "broodroof".
Ach ja, zij hadden liever dat we in Rotterdam de lading oversloegen in hun bootjes. Dat kan ik wel begrijpen maar op die manier wordt het transport en dus ook de lading, een stuk duurder voor de ontvanger. Maar goed, het bleef bij verbaal geweld.
Wat ze wel graag flikten, was het "meevaren op jouw gasolie" ofwel er, met weinig toeren, naast blijven hangen in jouw zuiging. Nu stuurt een coaster, met niet meer dan 35° roeruitslag en geen balansroer, heel wat moeilijker dan een binnenschip dat zowat op de plaats kan keren. Dus werden we niet blij wanneer er weer zo'n malloot naast ons kwam hangen. Twee van die geintjes staan me nog goed bij.
We varen stroomopwaarts op de waal.
Omdat we loodsplichtig zijn, hebben we een ex binnenschipper met Rijnpatent aanboord.
Voor ons zit weer eens zo'n dwarsligger die een hekel aan coasters heeft. Wanneer we hem langzaam oplopen, gaat hij steeds meer naar bakboord, zodat we hem niet met goed fatsoen kunnen passeren. Wanneer we pal achter hem zitten, doet de loods net alsof hij hem alsnog aan bakboord willen oplopen. Die binnenkrauter geeft nog meer bakboord maar wij scheren, met vol vermogen, naar stuurboord en zitten naast hem voor hij er erg in heeft. Hij komt weer stuurboord en blijft, op onze gasolie, meevaren.
Ik bekijk de "buurman" eens goed, het is een Twente-Rijnschip van zo'n vijfhonderd ton, met houten luiken.
Boven die luiken zijn, langsscheeps, waslijnen gespannen die met steunlatten op hoogte gehouden worden. De schipperse heeft net de was opgehangen en loopt met de lege wasmand naar achter.
De loods zegt: ‘Als die vent niet snel oprot, wordt het straks wel wat krap bij de bruggen.’
Inderdaad we zitten nog maar een kilometer of drie van de bruggen en die stenen pijlers zijn vast en zeker sterker dan wij. Die ouwe staat weer eens te vloeken als een bootwerker.
‘Die godverdommesse klootzak, ik zal hem leren. Stuur, pak een flinke sluiting en sodemieter die door zijn ramen!’
‘Ik weet wel wat anders kap, iets waar geen gewonden bij kunnen vallen.’
Ik loop naar de matrozen die die bezig zijn om af te zoeten. Dat wil zeggen, met de dekwas alles zoutvrij te maken.
Ik neem het spuitstuk en zet het handel van sproeien op enkele straal en richt op het wasgoed van buurvrouw.
De keiharde straal spuit eerst een broek van de lijn, dan wat degelijk ouderwets vrouwenondergoed en zo, verder naar achter, nog het een en ander. Daar gaat de stuurhut open en komt de schipper in zicht. Natuurlijk kan ik de verleiding niet weerstaan en zet de straal vol op zijn donder. Hij trekt, zeiknat, vlug de deur weer dicht en ik ga verder met het afhalen van de was. Zo te zien hebben de buren nu onderling ruzie. Zij wijst naar de rest van de was en hij schudt boos van nee. Dan stapt zij resoluut naar de regelateur en brengt de toeren terug.
Wanneer we, precies in het midden, de brugpijlers passeren, ligt buurman een flink stuk achter ons. Dan lacht die ouwe: ‘Goed gedaan stuur .’
Een andere keer.
We zijn weer onderweg vanaf Duisburg naar zee en varen op De Noord. We lopen langzaam maar zeker een Kempenaar op. Wanneer we bijna naast hem zitten, laat die koekenbakker zijn schip naar bakboord scheren tot er niet meer dan een meter of zes tussenruimte is. De loods zit op een krukje achter het stuurwiel en merkt dat het sturen, door de wederzijdse zuiging een stuk lastiger wordt.
Net wanneer die ouwe driftig de brugvleugel wil opstappen om die “zoetwater matroos” een paar nieuwe uitdrukkingen te leren, zegt de loods: 'Geef maar even volle kracht, daar leert hij dit soort geintjes wel mee af".
Die ouwe kijkt niet begrijpend naar de loods...? Maar zet wel de telegraaf op Full-Ahead.
De motor komt op toeren en nog heel even gaat de buurman mee in onze zuiging, dan wordt zijn achterschip naar ons toe gezogen en koerst hij recht op de dijk af.
De schipper springt verwilderd van zijn stuurstoel en draait zich mottig aan het wiel maar moet, om niet toch op de stenen te knallen, ook vol achteruitslaan.
Wij liggen in een deuk van het lachen en wuiven even vriendelijk naar de kwade schipper.
Albert.