Hengelen.
We liggen in Natal, een Braziliaanse haven. Het is zaterdagmiddag even na twaalven en de matrozen komen de messroom in voor de warme prak.
‘Zeuntje,’ zegt Kees, die de soep overslaat maar wel een berg piepers op zijn bord laadt, ‘ken jij een beetje hengele?’
Ik pak de schaal, die door Kees en zijn stapmaat Jan in één keer zowat is geleegd en vul die aan uit de grote pan, zodat de rest van het zooitje ongeregeld geen honger hoeft te lijden.
‘Hengelen? Je bedoeld aan de waterkant gaan zitten wachten op iemand die je niet kent? Nou nee, míjn sport is het niet echt, ik vis alleen op vis die ik eten kan en ik stop als ik een compleet maaltje bij elkaar heb.’
Kees, die nu zijn piepers smoort onder een flinke lading hachee, zegt: ‘Ik hoor het al, je ken er geen ene mallemoer van, wat jij Jan?’
‘Je hip gelijk, we zulle die snotaap maar weer es opvoedkundig onderhande nemen.’
‘Persies,’ zegt Kees met volle mond, ‘Appie as je straks de vaat hep gedaan kom je maar aan dek bij luik vier, dan krijg je van ons een lessie hengele voor gevorderde.’
Ik heb de afwas gedaan, de tafels afgenomen en de vloeren van messroom en pantry gedweild. Ik stap aan dek en kijk naar de wal. We liggen aan een oude kaai. Wanneer ik, om de opbouw heen, naar de rivierkant wil lopen, roept Jan; ‘Nee Appie me gane aan déze kant visse.’
‘Wat, tussen wal en schip?’
‘Ja zekers, kom maar hier.’
Ik zie geen hengels, zelfs geen vislijn met een haakje en een moer als lood.
‘Waarmee dan?’
Kees tilt met één hand een opgeschoten hieuwlijn omhoog en met de ander een lijkenpikkertje, een kleine dreg met drie punten waarmee je, inderdaad, lijken helpt afmeren.
Hij draait het sluitinkje los en vervangt de hieuwlijn door een eindje van een meter of zes.
‘Appie, achter de winch!’
Ik klim het laddertje van de stuurboords winch op en maak de winch gebruiksklaar, terwijl Jan de bakboords-winch klaar maakt.
De laadrepen van beide winches zitten samen gekoppeld aan één haak.
Kees viert de center-gei tussen de twee laadbomen en trekt met de sb. gei de sb. boom tot boven de kade. Dan trekt hij de center-gei strak en gebaart dat we de winches zo moeten vieren dat de haak in het sb. gangboord terecht komt.
Omdat de bb. boom nog boven luik vier hangt, hebben we een “overstomer” ter beschikking, waarmee we exact kunnen bepalen waar de haak neerkomt.
Kees knoop het eindje met de dreg aan de haak en terwijl Jan en ik de haak tot boven de kade manoeuvreren en nog een eindje laten zakken, zie ik opeens waar deze visexpeditie voor opgezet is.
Voor onze prauw ligt een prachtig wit schip met lijnen waar je de snelheid aan afziet, een fruitjager met koelruimen. Beneden ons, op de kade, staat een hele lange rij vrachtwagens met hoge houten zijschotten afgeladen met stammetjes bananen, te wachten op hun beurt. Steeds wanneer er een paar lege trucks wegrijden schuift de rest een stuk op.
Kees gooit opeens de dreg overboord in de lading van een optrekkende truck, gebaart naar mij dat ik hijsen moet even later komt er een stammetje met kammen groene bananen boven het potdeksel uit. Nu is Jan aan de beurt en trekt met zijn reep de vangst boven het gangboord en laat ik hem in het gangboord zakken. Wanneer we, volgens Kees, genoeg buit binnen hebben, stoppen we ermee en trekken de sb. boom weer boven het luik.
‘Tering Kees, krijgen we daar geen gelazer mee Ik bedoel, die chauffeurs van die andere trucks zien toch wel wat er gebeurt?’
‘Ja, maar die ken het geen ene reet verdomme, ze lache zich de kolere iedere keer dat we beet hebbe. Het gaat niet uit hullie’s zak.’
Even later loop ik met over iedere schouder een zware stam bananen, één voor mij en één voor Ben het machinekamer zeuntje, naar achter.
Jan roept nog: ‘Rechtop in je hangkast hange in het donker met de deur dicht, anders worde ze te vlug rijp. Daar valt van ze leve niet tegenop te vrete.’
Albert