Kerstmaal.
Het is hongerwinter, drieëntwintig december negentien vier en veertig. Er is in Amsterdam geen eten, geen kolen, geen gas en maar heel af en toe elektra.
Op het platte land is er, ondanks dat de moffen veel in beslagnemen en naar hun “Heimat” afvoeren, nog wel te eten maar in de grote steden zijn al meerdere mensen gestorven van honger en kou. En het einde van de ellende is nog lang niet in zicht. Bij de gaarkeukens staan mensen uren met hun pannetje in de rij, voor een paar scheppen soep getrokken van aardappelschillen met wat groente afval. Het echte eten is voor de moffen en hun aanhang van NSB’ers en SS’ers.
Mijn vader, die bij een scheepswerf/machinefabriek in Amsterdam Noord werkt, staat op straat, want door tekorten aan materiaal en stroomuitval is het bedrijf gesloten. Thuis heeft hij een zoontje van twee en een vrouw met een dikke buik, die over een week of negen is uitgerekend om een zeeman in spe te water te laten. Ook hier is, behalve wat suikerbietenpulp en wat bloembollen, geen eten in huis, dus moet pa op hongertocht. Op zijn fiets met houten antiplofbanden gaat hij richting Wieringermeerpolder maar eerst fietst hij met ma en de peuter achterop naar de Eerste Helmerstraat waar zijn ouwelui wonen. Daar hebben ze nog wat kolen en wordt de kachel - heel zuinig net genoeg om de eerste kou er uit te houden - gestookt.
Bij de pont naar Noord wordt hij aangehouden een paar “Jan Hagel” figuren, landverraders uitgerust met jachtgeweren - van daar de bijnaam - kijken in zijn fietstassen of er nog wat te jatten valt en willen dan zijn ausweis zien. Omdat daar op staat dat hij Bij Verschuren in Noord werkt mag hij passeren.
Om verdere controleposten te ontwijken fietst hij, met veel omwegen, via landweggetjes naar de Wieringermeer. Het is al pikkedonker als hij eindelijk aankomt bij de boerderij van familie van familie, van mijn moeders kant. Hij rolt bijna van zijn fiets van honger en vermoeidheid maar ze hebben het geluid van antiplofbanden door het grind al gehoord en komen naar buiten. Hij wordt door die hartelijke mensen ondersteund en zowat naar binnen gedrágen. Wanneer hij bij het warme fornuis bijna in slaap valt, krijgt hij een groot bord pap voor zijn neus. Dat verdwijnt in no time en ook het tweede en derde bord zijn leeg wanneer hij amechtig achterover zakt. Dan trekt hij wat slopen en ander linnengoed onder zijn trui vandaan, om te ruilen voor voedsel.
‘Geef maar wat je er voor geven wilt en dan ga ik meteen weer op huis aan.’
Nu worden ze boos: ‘Jan, steek dat maar weer gauw bij je je krijgt natuurlijk eten mee voor jou, Japie en Truus maar je gaat nu niet meer op weg, morgenochtend is vroeg zat.’
’s Nachts krijgt pa maag en darmkrampen en moet een keer of wat snel naar de wc. Die pap, gekookt met volle vette melk zo onder de koe vandaan, is veel te machtig voor zijn ingewanden die dat helemaal niet meer gewend zijn.
Op de thuisreis weet hij, mede dankzij waarschuwingen van mensen onderweg, de controle posten te ontwijken. Bij de Voor-Zaan, laat hij zich, door een beroepsvisser met een roeiboot, tegen betaling van wat groene kool, over het Noordzeekanaal zetten, zo vermijdt hij de moffencontrolepost bij het pontveer Hemweg. Op de Hemweg zelf krijgt hij van een tegenliggende fietser te horen dat er verderop een stelletje Jan Hagel bezig is om fietstassen te controleren en alle etenswaren in beslag te nemen. Pa vloekt: Heb ik me godverdomme het apelazarus getrapt om bijna thuis alles weer kwijt te raken aan dat stelletje laffe landverraders? Ik dacht het niet!’
Naast de weg lopen spoorrails en op die rails worden goederen wagons gerangeerd. Pa steekt, net voor het locomotiefje de rails over en loopt, op een drafje, met de fiets aan de hand mee in de beschutting van de trein. De machinist ziet hem en roept: ‘Ik rij nog wat verder door maar een goeie honderd meter voorbij dat tuig, moet je zelf je kloten redden.’
Pa grijnst: ‘Dank je!’
Wanneer de trein stopt, duwt hij zijn fiets naar de weg, spring er op en trapt zich mottig. Hij is net goed op snelheid wanneer achter hem luid geroepen wordt van ‘Halt, stop!’
Maar pa die iedere dag naar zijn werk fietst en zelfs in één dag op en neer naar Nunspeet fietst om op verjaarsvisite te gaan en dan de zelfde avond nog een nacht achter zijn draaibank staat, weet een ding zeker. Dat tuig met hun rubber banden haalt hem, zelfs op zijn antiplof, van ze lang zal ze leven niet meer in.
Pa komt veilig in de Eerste Helmerstraat en met hulp van zijn vader wordt de zwaar afgeladen fiets naar twee hoog gebracht en veilig in het zijkamertje gestald.
Ma en oma zijn dolblij met wat pa allemaal meebrengt en maken op het oliestel en de kachel een heerlijke maaltijd klaar. Na het eten zegt opa tegen pa; ‘Jan kom eens mee naar zolder, nee Japie jij blijft bij mama en oma. Oma maakt zo een lekker bedje voor je op, ja jullie blijven logeren.’
De volgende morgen, eerste Kerstdag , ontbijten ze de restjes van de vorige avond. s’ Middags blijkt pas wat pa en opa op zolder hebben uitgevreten.
Ze hebben een konijn geslacht en gevild en niet zo’n kleintje ook.
‘Bijna zes kilo,’ zegt opa trots.
Na het eten wanneer iedereen, ook kleine Japie, met een vol gevoel heerlijk zit uit te buiken, vraagt mijn moeder heel naïef: ’Waar haalden jullie dat konijn vandaan? Er is toch nergens meer wat te koop, zelfs met vleesbonnen niet.’
‘Dat konijn?’ zegt opa en knipoogt naar pa, ’dat heb ik van de melkboer.’
‘Wat, van die gore NSB’er die dat joodse gezin heeft verraden?’
‘Ja die. Weet je nog die grote dikke volgevreten kater van hem die woog, met zijn jasje nog aan, om en nabij de zes kilo.’
Albert