Suezkanaal 2.
Achter in de middag komt het loodsbootje langszij om de kanaalloods en de elektricien af te zetten.
Het werk van de elektricien bestaat uit het, ’s nachts, bedienen van de Suezkanaal-schijnwerper. Dat ding heeft een lens van pakweg een meter doorsnee en hangt aan rails tegen het onderdeks, helemaal voorop in de bak. Daar zit een luik in de huid dat er aan de buitenkant uitziet als een schild met het maatschappij logo. Dat luik kan naar binnen zwaaien zodat het zoeklicht, hangend aan de rails, naar voren kan rijden om de onverlichte oevers in het zonnetje te kunnen zetten. Met een intercomsysteem kan de loods vanaf de brug aangeven wat hij zien wil.
We krijgen ook een ploegje roeiers mee om te kunnen vastmaken in het zijkanaal om de het tegenkonvooi te laten passeren. De roeiers worden, zodra we los zijn van de boeien, met boten en al aan dek gehesen.
Binnen moeten we eerst nog even tegen de kaai, zodat de kanaal autoriteiten de nodige paperassen kunnen invullen en met tassen, die uitpuilen van de sloffen sigaretten, weer van boord gaan De bijnaam van het kanaal is niet voor niets “Marlboro sloot”.
We moeten, tot de avond, wachten op een tegenkonvooi. Intussen is er een souvenir handelaar, Jacob, aan boord gekomen en stalt zijn koopwaar uit op wat kleden op het achterdek. Jacob, die een donkerrode fez met een kwastje op zijn knar draagt, begroet iedereen als een oude vriend, lult in wel tien talen tegen de toegestroomde bemanning en plukt hier en daar munten uit oren. Dan tovert hij een kanarie uit zijn fez, stopt hem in zijn mond vol bruine stompjes, maakt slikbewegingen en wrijft tevreden over zijn buik. Met een buiging neemt hij zijn fez af en voilà, daar zit de kanarie ongeschonden op zijn hoofd.
Jacob prijst zijn waren aan, trekt een wanhopig gezicht wanneer een van de Spaanse matrozen, na lang onderhandelen een kamelenzadel koopt voor zo een spotprijsje dat, Jacob, zijn vrouw en hun bloedjes van kinderen voorlopig niets te eten hebben, maar Jacob, als de goedzak die hij is, heeft dat over voor zijn goede vriend Pablo. Hij ziet dat de koksmaat naar een paar leren slippers kijkt. Meteen pakt hij ze op en geeft ze de koksmaat in zijn handen. En zegt met een brede lach: ‘Look, isse gggodverrrdomme real camelleather, yess bloody hell. jij ruik, real camel!’ De bootsman zegt: ‘Laat je niet belazeren jong, dat is geen leer maar geperst papier.’ De koksmaat legt de slippers terug op het kleed maar Jacob laat zich niet zomaar een klant ontglippen en probeert hem een dure Ronsonaansteker aan te smeren. Intussen laat hij zijn ogen constant over zijn uitgestalde waar glijden want Jacob, die zelf een grote dief is, weet dat jan de zeeman, als hij even de kans krijgt, er vandoor gaat met zijn handel.
Twee olielieden, nog in hun overall, komen ook even kijken. Nummer een neemt steeds allerlei dingen van het kleed laat het aan zijn maat zien en wanneer deze van nee schudt, legt hij het weer terug. Hij pakt een koperen gedreven schaal met afbeeldingen van piramides en palmbomen, laat het oerlelijke ding aan zijn maat zien en loopt er opeens mee weg. Jacob, als door een horzel gestoken, springt overeind en rent achter de olieman aan. In het gangboord haalt hij hem in en ontfutseld hem de schaal. Wanneer hij, met een tevreden gezicht - hij heeft toch even mooi die gore dief zijn buit weer afgenomen - terug komt, legt hij de schaal weer op het kleed en hurkt neer achter zijn koopwaar. Opeens gaan zijn ogen wijd open en springt hij, al scheldend en vloekend in alle talen die hij kent en dat zijn er nog al wat, overeind. Wild kijkt hij om zich heen maar olieman nummer twee is er met zes kostbare Ronsonaanstekers vandoor en laat zich niet meer zien.
Terwijl Jacob nog luid zijn kijk op jan de zeeman en wel de Hollandse zeeman in het bijzonder, te kennen geeft, horen we aan bakboord, de van de kaai afgewende zijde, iemand krijsen als een varken in doodsnood. Wanneer we overboord kijken zien we een kleine feloek langszij liggen. Het zeil zit tegen de spriet opgegeid en met de bemanning allemaal aan stuurboord, helt de mast tegen de Forest Hill aan. Boven in de mast zit een jonge vent met een van pijn vertrokken gezicht te gillen. ‘Wat heeft die gozer, mot ie bevalle of zo?’ ‘Nee, kijk hij heb ze klauw door die patrijspoort gestoken en het lijk wel of tie vastzit.’ ‘Tering , ja, vandaar dat ie zo zit te janken!’ Opeens krijgt het slachtoffer zijn arm vrij. Hij kan zich niet meer houden en valt net tussen de “Hill” en de feloek. Zijn maats sleuren hem aan zijn armen, waardoor hij nog harder krijst, aan boord, duwen af er roeien weg.
Terwijl wij nog proberen uit te dokteren wat er gebeurd is, komt de kabelgast’, met een tevreden grijns op zijn gezicht bij ons staan en zegt: ‘Ziezo, die komt voorlopig niet meer terug.’ ‘Wat is er gebeurd Jaap?’ ‘Nou, ik zat op mijn bank, pal onder mijn poort te lezen, toen er een bamboe stok, met aan het end een haakje van ijzerdaad recht boven mijn hoofd naar binnen werd gestoken. Ik zei niets maar keek toe. Het ging richting wasbak, waar m’n klokje en m’n ringen lagen. Toen er ook een arm naar binnen schoof, heb ik de poort opeens dicht gedrukt en ben nog even met volle kracht blijven drukken. Ik weet niet of ik zijn arm gebroken heb maar ik denk dat hij voorlopig niet meer in masten klimt.
Albert