B.B.
‘Hoi schat ik ben weer thuis!
Het is laat, al over elven, ik ben moe, hongerig en tevreden, want hoe meer overtime ik maak, hoe eerder ik mijn droomboot kan kopen. Marjanne komt de hal in en geeft me een zoen, en vraagt: ‘Wat heb jij met Brigitte Bardot, nou? Kom er maar voor uit!’
‘Huh, waar heb jíj het nou weer over?’
‘Net wat ik zeg, Brigitte Bardot.’
Vanachter haar rug haalt ze een brief tevoorschijn, ‘kijk maar.’
Inderdaad op de enveloppe staat een vet stempel met BB.
‘Nou jochie, wat heb jij met die Franse filmster van doen?’
‘Ja zeg, mag een vent geen kleine geheimpjes meer hebben?’
‘Niet met een Franse snollebak! Moet je nog wat eten?’
‘Ja graag, wat heb je?’
‘Stamppot bietjes met spekkies en een bal gehakt.’
‘Lekker!’
Ik hang mijn jack op de kapstok en terwijl ik richting luie stoel loop, maak ik de enveloppe open. Even later roep ik naar de keuken: ‘Ze zijn goddomme van de pot gerukt! Ze hebben me ingelijfd bij de Bescherming Bevolking, notabene als ambulance chauffeur! Volgende week donderdag, ’s avonds acht uur, moet ik me melden op het stadhuis.’
Het is een week later. Ik sta voor het mooie oude stadshuisje, draai op mijn gemak een peuk en steek die aan. Ik kijk naar de klok met zijn “gouden ”wijzers” daar boven in het torentje. Tien minuten over acht, een mooie tijd om naar binnen te gaan. Ik neem nog een paar halen, trap mijn peuk uit en ga naar binnen. De stadhuisbode vangt me op.
‘Goedenavond. Komt u voor de BB?’
‘Goeieavond, ja voor de BB.’
‘U bent aan de late kant maar komt u maar mee, het is in het vergaderzaaltje. Hier in alstublieft. Wilt u zo een kopje koffie?’ zegt hij terwijl hij aanklopt en meteen de deur open doet.
‘Dank u, ja graag.’
Binnen, aan weerzijden van een lange tafel, zitten zo’n veertien mannen te luisteren naar twee figuren aan het hoofd van de tafel.
Die twee kijken verstoord achterom en de ene gebaart me naar zich toe.
Terwijl de andere doorpraat, zegt de ene zachtjes: ‘Wilt u hier even tekenen?’
Ik pak het klembord op en zie dat het om een presentielijst gaat.
Hardop zeg ik: ‘Voor ik teken lees ik even wat er nog meer op staat. Ik bedoel, het kan mijn doodvonnis wel zijn, niet dan?’
De “klas”, afgeleid door mijn niet al te zachte stemgeluid, kijkt nu naar ons in plaats van naar de Hopman, of hoe je zo’n rayonhoofd ook noemen mag, deze kijkt me over zijn schouder geïrriteerd aan maar zegt niets. De fluisteraar, die ik per direct tot Akela promoveer, is ook al een tikje geïrriteerd. Hij haalt een mooie zilveren knaak uit een wit linnen zakje en wil me die overhandigen.
‘Waar is dat voor?’
‘Presentiegeld, dat krijg je bij iedere oefening en nu ook,’ zegt hij zacht.
Ik trek mijn hand terug en zeg: Aha, de beruchte “Saxon Shilling”, als ik die aanpak zit ik er aan vast ook, dus nee, dank je.’
Ik trek een stoel bij, zet die schuin achter de Hopman, pak de kop koffie, die de bode op een tafeltje heeft neergezet en ga zitten. De Hopman wordt zichtbaar afgeleid nu hij me vanuit zijn ooghoek, net wel, net niet kan zien. Steeds wanneer ik ga verzitten en mijn benen over elkaar sla, zie ik hem zijn kop wat draaien om mij beter in het vizier te krijgen.
Het loopt tegen tienen, de Hopman, die zowat al die tijd alleen aan het woord is geweest, schenkt het laatste beetje water uit zijn karaf en drinkt het op.
‘Zijn er nog vragen?’
Natuurlijk zijn er, net zoals ook bij ieder werkoverleg, nog een paar figuren die zo nodig hun eigen stemgeluid moeren horen maar het gros staat al halverwege de deur.
De laatste vragen zijn gesteld en beantwoord.
De Hopman kijkt even de Akela vragend aan, maar die schudt van nee.
‘Dan wens ik iedereen wel thuis.’
In no time is de klas leeg, alleen de Hopman en de Akela staan, al napratend, hun aktentassen in te pakken.
De bode komt binnen en vraagt of er nog koffie moet zijn.
‘Nee dank u,’ zeggen ze, ‘ja gráág zeg ik.’
Nu pas zien ze dat ik er, nog steeds op mij gemak, bij zit.
‘Had u nog vragen?’ vraagt de Hopman verstoord.
‘Ja zeker en ook nog wat opmerkingen. Om te beginnen heb ik totaal geen trek om na mijn dertigste nog voor padvindertje te moeten spelen, dus daar gaan we het eerst eens uitgebreid over hebben, daarna heb ik nog wel een paar punten.’
De bode, die even stond te wachten, zet met een knipoog de koffie voor mijn neus. Met een zucht gaan ze weer zitten.
We gaan weer door het bekende riedeltje van “wat als de Russen komen” alleen gaat het nu van “wat als er brand uitbreekt bij de buren”, wil je ze dan niet helpen?
‘Ja zeker , maar als ik daarvoor eerst weer naar binnen moet om mijn BB pakje, compleet met laarsjes en helmpje te zoeken, zijn ze al lichtelijk aangebraden wanneer ik eindelijk in actie kom.’
Op mijn argument dat ik tot mijn zevenentwintigste heb moeten doorvaren om onder de dienstplicht uit te komen, wordt niet ingegaan. Intussen werpen ze steeds vaker een blik op de klok. De bode komt binnen.
‘Heren de raadsleden zijn uit vergaderd en gaan naar huis. Ik ga opruimen afwassen en stofzuigen. Met een uurtje ben ik wel klaar en dan zou ik graag afsluiten.’
‘Ik zeg: ‘Een heel uur? Dat komt goed uit want ik heb zo het gevoel dat we er nog niet helemaal uit zijn.’
Ik zie dat de Hopman en de Akela elkaar aan wanhoop grenzende blikken toewerpen. Na nog een half uurtje van voor en achteruit lullen, waarin ik o.a. te kennen geef dat je een paard wel naar het water kan brengen maar dat dat nog niet wil zeggen dat hij gaat drinken.
‘En daar bedoel ik mee, dat je me wel op een ambulance kan zetten maar niet kunt voorkomen dat ik, per ongeluk, de eerste versnelling en de achteruit door elkaar haal en die mooie glimmende wagen in de prak draai. Niet met opzet natuurlijk maar gewoon omdat ik er met mijn hoofd niet bij ben, snap je?
Wanneer ik, naast nog wat andere tot de verbeelding sprekende voorbeelden te hebben aangehaald, terug kom op de Koopvaardijregeling en het feit dat ik op die manier het vaderland toch echt wel naar behoren heb gediend, hellen de heren steeds meer over naar mijn standpunt.
‘Goed we zullen u uitschrijven, u krijgt bericht thuis.’
Ze zijn nog eerder bij de buitendeur dan ik.
Albert.